Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage - Iedereen die zich interesseert voor de geschiedenis zal smullen van de tentoonstelling ‘Naar de fabriek’, die door het Princenhaags Museum is samengesteld. Door middel van vele foto’s, documenten, reclamemateriaal, jubileumboeken, affiches enz. krijt u een beeld van de vele fabrieken die aan het eind van de 19de eeuw zich op Princenhaags grondgebied vestigden.Dat‘wij’ in vroeger tijden een grote gemeente waren blijkt uit het feit dat Princenhage grof gezegd bij het Liesbos begon en zich uitstrekte tot aan de vestingwerken in Breda, die in 1870 geslecht zijn. Hierdoor kwam er op Princenhaags grondgebied meer ruimte voor industrieën. De industrie die rond 1875 begon in onze omgeving vestigde zich voor een groot gedeelte op Princenhaags grondgebied zoals de Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI) later bekend als ENKA en de IGB. Op de tentoonstelling is ook de geschiedenis van de Etna, van 't Jammeke en van de suikerfabriek te vinden. Zelfs Kwatta had een tweede fabriek op Princenhaags grondgebied. De familie Rüttchen begon in begin 1900 met carrosseriefabriek De Ley op de plaats waar nu supermarkt AH is gevestigd, zie onder. Cees Klep begin in 1856 een ijzergieterij en zijn zoon nam dat bedrijf in 1875 over. Hij bouwde de ETNA fabriek aan de Tramsingel. In 1902 had het bedrijf meer dan 200 werknemers en twee stoommachines. Rond 1950 waren er zelf 500 werknemers en was de Etna een van de beste gieterijen van Nederland. In 1983 stopte men met de productie aan de Tramsingel. Ontstaan van de ETNA In 1872 ontstond aan de markkade de Beetwortelsuikerfabriek onder de firma Van Aken, Segers en Compagnie opgericht, die twee jaar later in handen van Felix Wittouck overging en later in de volksmond alleen suikerfabriek werd genoemd. Veel mensen uit Princenhage werkten hier tijdens de bietencampagne er waren 100 mensen in vaste dienst, maar tijdens de campagnetijd liep dat op tot 900 werkkrachten. Het begin van de suikerindustrie in Princenhage Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI) De naam Charles Stulemeyer (1880 – 1968) is een begrip in onze omgeving. In 1898 begint hij samen met zijn drie broers een handel in bouwmaterialen, wat uitgroeit tot een bouwbedrijf gespecialiseerd in het gebruik van gewapend beton. Dit bedrijf ontwikkelt zich verder tot de N.V. Internationale Gewapend-beton Bouw (IGB). Het levert hem veel inter- nationale contacten op maar blijft ondanks alles toch een Bredase ondernemer. Maar Charles wil meer. Medegefinancierd door de IGB sticht hij in 1919 de N.V. Hollandse Kunstzijde Industrie (HKI). Na de eerste wereldoorlog pakt een consortium  van industriëlen, op initiatief van de heer Charles Stulemeyer , de onderne-mingsdraad weer op en gaat verder met een poging om in Breda een kunstzijde industrie op te richten. Als er op een diepte van 105 meter water wordt aangeboord kan er in 1920 met de bouw van de HKI-fabriek worden begon-nen. Op 19 juli 1921 wordt de eerste draad gesponnen. Door research in eigen laboratorium wordt de draad in de loop der jaren sterk verbeterd. Een afzetgebied wordt gevonden in weverijen en sokkenfabrieken. Later ook in de tricotage- fabrieken, borduurbedrijven en tapijtfabrieken. Nederland is al snel te klein voor de HKI uit Breda. Er worden in Frankrijk (1923), Spanje (1925) en Engeland (1927) dochterondernemingen opgericht. In 1929 meldt zich het andere Nederlandse kunstzijdeconcern de ENKA uit Arnhem zich als overname kandidaat. Er staan dan al meer dan 1200 medewerkers op de HKI-loonlijst. De ENKA is gefuseerd met de VGF (Vereinigte Glanzstoff Fabriken) uit Duitsland tot AKU (Algemene Kunstzijde Unie) . Charles Stulemeyer, eigenaar en directeur van de HKI, gaat accoord met overname.  Gezamenlijk komen ze de moeilijke dertiger jaren door. Na moeizame samenwerkingsconstructies fuseren de AKU en de Glanzstoff definitief. De naam van de holding bleef AKU, de naam van de Nederlandse fabrieken werd ENKA. Vrijwel onmiddellijk na de fusie vindt er een nieuwe fusie plaats met het latere AKZO-concern. In de 60er jaren van de vorige eeuw is de HKI een van de grootste industrieën van Breda met meer dan 1700 werknemers. In 1970 breekt er een crisis uit in de kunstvezelindustrie. Besloten wordt de fabrieken in Breda en Wuppertal te sluiten. Er wordt heftig geprotesteerd. In 1972 leidde dit tot een wereldprimeur: De ENKA-fabriek in Breda wordt door de arbeiders, in samenwerking met de vakbonden, bezet, met als resultaat dat de bedrijfssluiting niet door gaat. Later nemen de verliezen toe en in 1982 wordt ook de fabriek in Breda definitief stilgelegd en gesloten. Charles Stulemeyer is ook op sociaal gebied een vooruitstrevend en betrokken ondernemer. Door de conservatieve stadsgenoten werd hij gekarakteriseerd als een “rode” directeur. Zo introduceert hij al in 1942 op de HKI een ondernemings- en medezezeggenschapsraad. Op zijn bedrijf functioneert een “Erkend Geneeskundige Dienst” o.l.v. een bedrijfsarts. Er is een personeelsvereniging en een pensioenfonds. Er zijn talrijke bedrijfsverenigingen zoals een voetbalvereniging, een zangvereniging, een muziekvereniging. Charles Stulemeyer voelt zich betrokken bij al die verenigingen. Hij bezoekt hun optredens, schakelt ze in bij bedrijfsfeesten, stelt oefenruimtes beschikbaar, subsidieert ze, enz. In 1968 wordt hij beschermheer van LaBanda. Maar in de eerste plaats was hij een zeer succesvol ondernemer. Hij was tevens de motor bij de oprichting van de R.K. Openbare Leeszaal en Bibliotheek en was nauw betrokken bij de stichting van het Onze Lieve-Vrouwe Lyceum in Breda. Tevens was hij nauw betrokken bij de vorming van de R.K. Handelshoogeschool, thans KUB,  te Tilburg. Bijna iedereen kent nog wel de Nibb-it aan de Ettensebaan. Johannes Henkes richtte deze fabriek in 1903 als Jamfabriek op en bouwde voor zichzelf de prachtige villa Vredenburch aan de Liesboslaan. Stoomtimmerfabriek Chabot. ( Timmerfabriek Brekelmans.)            Timmerfabriek Brekelmans deel 1            Timmerfabriek Brekelmans deel 2             Timmerfabriek Brekelmans deel 3 De Saval Kwatta De cacao- en chocolade-industrie wordt een bedrijfstak van betekenis. Rond de eeuwwisseling zijn de voornaamste bedrijven: Van Houten in Weesp, Bensdorp in Amsterdam en Bussum, Korff in Amsterdam, Driessen in Rotterdam en Kwatta in Breda. Alle ogen zijn gericht op Kwatta De zegswijze ‘alle ogen zijn gericht op Kwatta’ is nog niet vergeten al bestaat de cacao- en chocoladefabriek Kwatta al lang niet meer. In 1883 richt P. de Bondt samen met zijn compagnon J.G. van Embden een bedrijf op in Breda. Het bedrijf noemen ze Kwatta naar de cacaoplantage van Van Embden in Suriname. De gebroeders Stokvis, die het bedrijf tien jaar later overnemen, moderniseren het en breiden het uit. Als op de cacaomarkt in 1907 een crisis uitbreekt en de grondstoffenprijzen sterk stijgen, moeten veel cacao- en chocolade bedrijven hun deuren sluiten. Kwatta overleeft dankzij de verpakte reep. Op de wikkel staat een soldaatje. Vijf soldaatjes geven recht op een gratis reep. De reep doet het goed bij de soldaten. Het leger is afnemer van Kwatta en de reep is in de kazernes te koop. De reep wordt daarom ook wel manoeuvre-reep genoemd. In 1905 werken er voor het bedrijf nog maar dertig mensen. In 1938 is dat uitgegroeid tot 700. Zijn in 1905 de mannen nog in de meerderheid, in 1938 zijn er meer vrouwen dan mannen in dienst. Kwatta, sticht bedrijven in België, Duitsland en Frankrijk. In 1921 wordt het bedrijf in Breda uitgebreid met een modern bedrijf in het naburige Princenhage. Beide bedrijven blijven naast elkaar functioneren. In 1924 wordt Sickesz in Amsterdam en in 1935 Driessen in Rotterdam overgenomen. Het Rotterdamse bedrijf wordt stilgelegd en de productie overgebracht naar Princenhage. De ‘cacao- en chocolade bonden’ De eerste tekenen van drang naar organisatie onder de cacao-, chocolade en suikerbewerkers zijn in 1893 te Rotterdam en in 1895 in Amsterdam merkbaar. Die pogingen lukken echter niet. Eerst in 1898 komt er in Amsterdam een duurzame organisatie tot stand: de vereniging voor cacao-, chocolade- en suikerbewerkers Door Eendracht Verbetering. Er ontstaan ook plaatselijke verenigingen in Rotterdam, Breda en de Zaanstreek, die in contact staan met de Amsterdamse vereniging. Vanaf 1 januari 1900 verschijnt er een vakblad. In 1908 komt er een fusie met de Nederlandsche Bond voor Arbeiders in het Bakkersbedrijf die opgericht is in 1894. De werknemers in de cacao- en chocoladebedrijven zijn vanaf dat moment merendeels georganiseerd in bonden die zich primair richten op bakkersgezellen al is er ook sprake van aansluiting bij de fabrieksarbeidersbonden St. Willibrordus en de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders. De bonden voor de cacao- en chocoladebewerkers – die voorlopers zijn van de Voedingsbond FNV en dus ook van FNV Bondgenoten – zijn: de Nederlandsche Vereeniging van Cacao-, Chocolade- en Suikerbewerkers, Koek- en Banketbakkers en de Nederlandsche R.K. bond van Bakkers-, Cacao-, Chocolade- en Suikerbewerkers. De socialistische bond heeft in Breda vanaf 1910 een constante, maar kleine aanhang. De afdeling Breda van de R.K.-bond wordt opgericht in 1916. Ongeveer een derde van het personeel bij Kwatta is lid van de R.K.-bond. De arbeidsvoorwaarden De lonen in de cacao- en chocolade-industrie lopen sterk uiteen. Alleen in de Zaanstreek bestaat een onderlinge loonafspraak tussen de werkgevers. Bij Van Houten zijn de lonen hoger, bij Kwatta lager dan gangbaar is in de branche. Er wordt in de productie met uurlonen en tarieflonen gewerkt, in de verpakkingsafdelingen met stukloon. Het loon van de vrouwen in de productie liggen 50% beneden het minimumloon van de mannen. De werktijden zijn aan het begin van de twintigste eeuw tien ŕ elf uur per dag. Van Houten vormt een uitzondering daar wordt in 1905 de achturen-dag ingevoerd. Tegen Sinterklaas en Pasen wordt er veelvuldig overgewerkt en wordt het aantal uren opgerekt tot wel zestien uur per dag. In drukke tijden wordt de arbeidswet regelmatig overtreden doordat de wettelijk voorgeschreven rusttijden niet in acht worden genomen. Over de gemaakte overuren wordt geen toeslag betaald. Bij Kwatta zijn de voorzieningen bij ziekte slecht en pensioenen ontbreken geheel. Het pakket aan arbeidsvoorwaarden bij Kwatta, zijn vergeleken met andere grote bedrijven in Breda niet bijzonder gunstig. De Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) In de bedrijfstak is sprake van grote concurrentie. Alleen Van Houten in Weesp kan zich, vanwege haar grote export, aan de binnenlandse concurrentie onttrekken. Kwatta kent een groot assortiment. Het bedrijf kan minder profiteren van schaalbesparingen en is daardoor zeer gevoelig voor concurrentie. Begrijpelijkerwijze is het Bredase bedrijf dan ook de animator om tot een landelijke loonregeling te komen. Van Houten voelt daar echter niets voor. In 1917 komt bij Kwatta een loonregeling tot stand uitsluitend met de katholieke bond. In 1919 leidt het overleg met de Nederlandsche Vereeniging van Suikerwerk- en Chocoladefabrikanten tot een collectief contract. Het is eerste collectief contract dat in deze vorm voor de chocolade- en suikerbedrijven tot stand komt. ‘De Faam’ in Breda sluit zich bij dit contract aan. De cacao-fabrikanten stellen eenzijdig zelf een loonregeling vast. De loonregeling van de cacao-fabrikanten ligt gemiddeld twee gulden per week lager dan het collectieve contract wat afgesloten is met de chocolade- en suikerbedrijven. De arbeidsduur in het collectief contract bedraagt voor 1919 nog 522 uur, maar zal in 1920 naar 50 uur worden verlaagd. Aan het begin van de jaren twintig is er sprake van een economische inzinking. Loonsverlagingen zijn zowat in alle bedrijven en bedrijfstakken aan de orde van de dag. Ook in de cacao- en chocolade-industrie is dat het geval. In de loop van 1923 worden de lonen met 10% verlaagd. Kwatta Basta! Door de vakgroep Cacao-, Chocolade en suikerbewerkers van de socialistische bond wordt in augustus 1928 een program van eisen opgesteld die na overleg met de beide confessionele organisaties wordt omgezet in een ‘ontwerp-overeenkomst’ die aan alle werkgevers in de bedrijfstak wordt toegezonden. Enkele weken later worden 63 werkgevers in 12 plaatsen bezocht met het doel de ontwerp-overeenkomst te bespreken. Bij vijf bedrijven heeft dat succes; onder meer bij Kwatta te Breda. De lonen worden door middel van een toeslag met F1,25 verhoogd. De erkenning van de socialistische organisatie is opmerkelijk aangezien Kwatta jarenlang weigerde met deze bond in overleg te treden. Nog voor enkele maanden weigerde het bedrijf overleg over een ontslagkwestie. Een werknemer met twintig dienstjaren, die lid is van de socialistische bond, werd toen door Kwatta ontslagen. De bond besluit op te roepen tot een boycot van de Kwatta-producten. Op 16 september 1928, als er in een vijftal steden door het NVV en SDAP georganiseerde betogingen plaats vinden voor ontwapening, staat op elk der terreinen van samenkomst een groot bord met de tekst: “Kent uw plicht, Sickesz en Kwatta is voor den arbeiders basta!” De tekenaar Jan Rot verzorgt een tekening die in Het Volk en in de Voorwaarts verschijnt. Andere kranten weigeren een bericht of zelfs een advertentie te plaatsen. Het zal niet nodig zijn want de vakbladen van nagenoeg alle bonden nemen de tekening en het motto wel op. In het bijzonder wordt ook steun ondervonden van de coöperaties. De oproep tot boycot krijgt een zodanige bereik dat Kwatta dat in de verkoop voelt. Op 27 september worden de voorzitter en de secretaris van de bond Is. Goudsmit en A. Hillebregt op het bedrijf ontvangen. In het onderhoud dat dan plaats vindt wordt het volgende compromis bereikt: De directie van ‘Kwatta’ erkent ten volle de vrijheid van haar personeel om zich te organiseren in de vakbond zijner keuze; De directie zal voortaan bij het overleg met de Algemeene Bond omtrent de personeel-belangen zich niet uitsluitend bepalen tot de schriftelijke gedachtewisseling, doch ze zal het bestuur van de bond, wanneer het daartoe de wensch te kennen geeft, ook ontvangen. Wat het ontslag betreft, komen partijen overeen, daarin zonder enige rancune te berusten, doch, met het oog op het 20-jarig dienstverband van den betrokkene, zal aan zijn organisatie een bedrag van /200,- (zegge twee honderd gulden) te zijnen behoeve door “Kwatta” worden betaald. Terstond na aanvaarding van deze overeenkomst zal de vakbond, hier bedoeld, in dag- en vakbladen, zoomede aan de clientčle bekendheid geven, dat het conflict is geregeld, zodat er verder geen bezwaar meer bestaat, wederom de Kwatta- en Sickesz-artikelen te koopen en te verkoopen.” Crisis In 1929 kan het overleg met Kwatta nog positief worden afgerond. De toeslag van /1,25 per week wordt in vast loon omgezet en de lonen worden daarenboven nog met fl 1,00 verhoogd. In 1930 is er opnieuw een loonsverbetering van fl 1,00 per week en wordt het aantal vakantiedagen op zes gebracht. De crisisjaren doen hun intreden en ook in de cacao- en chocolade-industrie laat zich dat voelen. Het aantal werknemers die in 1930 nog 7.350 bedraagt is in 1932 al gedaald tot 5.633. In 1931 worden bij Kwatta nog een aantal meisjes, van veertien-vijftien jaar, uit Bergen op Zoom in dienst genomen die daar bij de Liga werkten. Bij Liga verdienden ze twee ŕ drie gulden per week. In Breda is dat zeven gulden per week, wat overigens door de directie van Kwatta als teveel wordt beschouwd. Vanwege de loonconcurrentie besluit Kwatta een bezuiniging door te voeren. Eerst worden de meisjes vervangen door jongens die minder loon krijgen. Daarna worden successievelijk de oudere werknemers ontslagen en worden jeugdige werknemers in hun plaats gesteld. De directie van Kwatta verklaart in 1934: “Al in mei is gepoogd met de arbeidersorganisaties tot overeenstemming te komen over loonsverlaging. Doch dat is geweigerd. En er werd gedreigd met staking, indien de directie van Kwatta toch tot loonsverlaging zou overgaan. Slechts onder voorwaarden waren de bestuurders bereid in loonsverlaging toe te stemmen. Zij wilden eerst na inzage van boeken en balansen de overtuiging hebben, dat Kwatta echt met verlies werkt. Wij hebben dit verzoek kategorisch afgewezen, daar dit ons inziens de medezeggenschap in de fabriek voorbereidt. Zolang wij niet wettelijk daartoe worden verplicht, zullen wij ons daartegen verzetten. En wij menen dat dit ook in de geest van de kommissarissen is. ” In 1937 is 40% van het duurdere personeel vervangen door goedkoper personeel. De lonen bij Kwatta zijn lager dan gebruikelijk in de bedrijfstak. Het einde van het Kwatta-soldaatje Er veranderd veel in jaren 60 en 70 van de twintigste eeuw op de Europese cacao- en chocolademarkt. De landen die cacaobonen produceren gaan nu zelf cacao en chocolade produceren. De export naar de Oostbloklanden stagneert doordat in die landen de productie van chocola zelf ter hand wordt genomen. Kwatta neemt – in een poging de bedrijfspositie te versterken – de firma Wijnand Beke in Den Haag over en gaat samenwerkingsverbanden aan met Rademakers (Haagse Hopjes) en Van den Dungen (Jamaica- rumbonen). Daarna wordt Kwatta zelf ingelijfd door het belgische Eurochoc wat op haar beurt weer onderdeel is van het Engelse Continental Foods. Het is inmiddels 1973 en het bedrijf lijdt zwaar verlies. Voor 200 personeelsleden wordt ontslag gevraagd. Bonden en ondernemingsraad willen een onderzoek naar het (wan-)beleid van Kwatta, maar zien daarvan af onder de dreiging van Kwatta om dan onmiddellijk het bedrijf te sluiten. Het zal alleen maar uitstel van executie zijn. Er volgen opnieuw ontslagen. In 1977 verhuist Kwatta, met een deel van het dan nog resterende personeel – onder de naam Pieter Nieuwerkerk – naar Etten-Leur. Het fabriekspand van Kwatta in Breda valt in 1979 onder de slopershamer.