Bier in Princenhage Natuurlijk wordt er al eeuwen bier in Mertensem, Hage of Princenhage gedronken. Maar wij waren echt niet de eerste. Daarom nemen we een kijkje in de geschie-denis van het bier. Al ver voor onze jaartelling werd er bier gedronken. Althans maakte men in alle oude graangebieden een aan bier verwante zwak alcoholische drank. De oudste duidelijke gegevens uit Babylonië van omstreeks 4000 jaar voor Christus vermelden de bereiding van bier. In dat land zijn al vroeg regels opgesteld hoe men bier moet brouwen en verhandelen, zoals we dat kunnen lezen in de Codex Hammurabi (Koning omstr. 1790 v. Chr.) : Iedere brouwer die onrechtmatig water toevoegt aan het gebrouwen bier in zijn eigen vaten dient te worden verdron-ken. Pharao Ramses II had een brouwerij speciaal voor het tempelpersoneel. Het verbruik van de priesters en hun ondergeschikten van de Amontempel (Karnak) beliep zich volgens de bierboekhouding van een bepaald jaar op 466.308 kruiken. Tacitus (55- 120 n. Chr.), beroemd Romeins wereldreiziger, noteerde in zijn verslag dat de Germanen in plaats van hop eikenbast gebruikten om het bier aan te zetten en te vrijwaren voor bederf. De Batavieren in een later stadium kennen ook nog geen hop. Zij gebruikten “gruit” afkomstig van de gagel, een wilde heestersoort. Er werd ook mengsel van tijm, koriander en look toegevoegd. Gruit viel tot ver in de Middeleeuwen onder het monopolie van de landsheer en werd een van de eerste producten waar accijns op geheven werd. (o.a. door de Heren van Gruuthuse te Brugge). In 1364 werd in het Heilige Roomse Rijk, waartoe ook Brabant behoorde de wet Novus modus fermentandi cevesiam, ingevoerd, die de toevoeging van hop in gruit regelde zodat bederf en besmetting door slechte gisten kon worden tegen-gegaan. In 1516 volgt het Reinheidsgebod. Alvast een voor-proefje op de warenwet zoals wij die nog kennen. Hoewel nog er nog steeds bieren worden gebrouwen waaraan kruiden zijn toegevoegd hebben de hopbellen plaats ingenomen van de oorspronkelijk gruit. De beste hop kwam uit Vlaanderen, Zuid-Engeland, Zuid-Duitsland en Bohemen. De opkomst van de Brouwerijen In die tijd waren er drie soorten brouwers: de kloosters (b.v paters Trappisten die voor eigen gebruik produceerden, de koopbrouwers werkten voor de vrije vekoop en de huisbrouwers, b.v. grote boeren e.d. die eveneens voor eigen gebruik of buurt-schap bier maakten. Bier werd een volksdrank, de zestiende en zeventiende eeuw was een bloeiperiode voor de brouwerijen die op ambachtelijke wijze hun produc-ten maakten. Amersfoort en Gouda telden zo’n 350 brouwerijtjes. Wel werd de vervuiling van het oppervlaktewater ook toen al een steeds groter probleem. Eigen bronnen, met voldoende waterdruk, waren zelden. Gelukkig krijgt men door de hoge temperaturen tijdens het brouwproces ziektekiemen e.d. redelijk onder controle krijgen, zodat bier een relatief veilige drank was. Het werd de hele dag gedronken, wijn was sowieso alleen voor de beter gesitu-eerden weggelegd. Dat z.g. scharrebier met een licht alcoholpercentage was dus ook een drank voor de opgroeiende kinderen. In de 17e eeuw lag de consumptie per hoofd van de bevolking tussen de 250 en 400 liter. In Nederland lag het verbruik begin 1990 op 85 liter! Het was voor het volk dus een alledaagse drank. Alleen bij bijzondere gelegenheden, kermis en feesten, begrafenis en huwelijken, schonk men bier met een hoger percen-tage; pas toen werd het een genotmiddel dat veelal samen met een pijpje werd genoten. Die zwaardere bieren waren overigens ook een stuk duurder. Rond 1650 kwam er concurrentie van de koffiehuizen die vooral in de Hollandse steden ontstonden. Het zou echter tot ver in de 18e eeuw duren voor koffie en thee, die in die huizen werden tegen steeds lagere prijzen werden geserveerd, een bedreiging voor de bierconsumptie gingen vormen. Dan doet in 1841 de eerste stoommachine zijn intrede (Den Hert Haarlem) en met dit gegeven maken de eerste “Stoom-brouwerijen” reclame. De stoom dreef de moutmolen aan en de verwarmde de ketels. Dat betekende ook meer productie per brouwerij terwijl het verbruik sterk afgenomen was door de relatief goedkope koffie en thee. Tussen 1819 en 1858 daalde het aantal brouwerijen van 678 met 30% naar 466, over het hele land genomen. Uitzondering bleef Limburg: alle 132 bierbrouwers bleven overeind. In Brabant hielden 6% van de 240 brouwerijen het voor gezien. De Prins van Oranje (nu Rabobank) zat bij die 6%. Brouwerij De Koe van de wed. Nooren vulde in 1950 de laatste fusten. De huisbrouwerijen in Princenhage waren intussen ook verdwenen. Brouwerij “De Koe” (ca ? - 1950) Vermoedelijk is “De Koe” als naam ontstaan in de Franse tijd zo rond 1800, waarschijnlijk naar aanleiding van een nieuwbouw. In de periode daarvoor wordt gewag gemaakt van de naam “Slinderackers”, waar vanaf de 17e eeuw tot halverwege 18e eeuw een zekere familie Lodders woonde. In het begin zal meer een z.g.n. huysbrouwerij zijn geweest, maar in 1771 wordt al bij de verkoop van ‘n brouwerij en diverse bijge- bouwen gesproken. Cornelia van der Veeken, weduwe van Aernout Nooren koopt voor 2815 gulden schuure, huysinge, brouwerij, en grond tesamen vier gemeten. Zoon Adriaen erft dit gedeelte van het familievermogen en huwt Johanna Leyten. Zij zijn in feite de stamouders van het brouwersgeslacht Nooren. Er worden zeven kinderen geboren en in 1802 bouwt Adriaen een nieuw huis met stal. In 1840 is de volgende Nooren, Jacobus, aan de beurt, in 1835 getrouwd met Johanna Bastiaansen. Van hun twee zonen werd Johannes (geb 1836 ) de opvolger, z’n broer Adrianus (geb.1837) zou vleeshouwer worden. Brouwerij De Koe (nieuwbouw 1903) Johannes trouwt in 1862 Anna Cornelia Nooren. Haar man was 43 toen hij overleed en Anna bleef met zeven kinderen een brouwerij zitten. De naar opa genoemde Jacobus werd de vierde (Nooren) brouwer op het domein en hij zorgde voor grote uitbreidingen zoals b.v. de hoogbouw waar nu een advocatenkantoor is gevestigd. Het was deze Jacobus die een van de eerste stoommachines in Princenhage installeerde en, een geheel nieuwe uitvinding voor die tijd, in 1898 kocht hij een 3 PK petroleummotor. Revolutionair voor die tijd, want de molenaars draaiden nog met wieken en b.v. de eerste van de vijf bier- brouwers van Etten en Leur (De Schenckan) .schafte pas in 1906 een stoommachine aan. Door deze vernieuwingen en de goede kwaliteit bier kon De Koe vermoedelijk langer tegen alle concurrentie van de steeds groter. vv. Brouwerij de Koe wordende Bredase brouwerij van Smits van Waesberghe. De volgende generatie Nooren dient zich met Johannes aan die in 1932 trouwde met Goverdina Anna Schrauwen. Vijf jaar later kwam Johannes echter bij een verkeersongeluk om het leven en werd zijn werk voortgezet door vader Jan Nooren en zwager Jan Schrauwen. Deze laatste zou tot in 1950 in het bedrijf werkzaam zijn. De machines werden er uitgehaald en de gemeente werd eigenaar van het complex. Woonhuis De Koe voor de restauratie (gebouwd ca. 1802) Na jarenlange leegstand werd het woonhuis (1802) en de nieuwe brouwerij (1903) advocatenkantoor. De Vlaamse schuur (ca. 1680) deel van het gemeenschapshuis met de naam: De Koe! Brouwerij “Prins van Oranje” (1695-1840) Haagsemarkt 6, waar nu de Rabobank is gevestigd, is een van de mooiste gebouwen van Princenhage. Het is de plek waar de grootste brouwerij van het dorp stond. Rond 1695 begon een zekere Jan Adriaan Van Beek hier zijn bedrijf dat uitgroeide tot de grootste leverancier van de ca. 30 herbergen die er in 1711 waren. Een vatentelling in dat jaar is hierna weerge-geven. Tot 1840 werd er gebrouwen en vanaf 1870 als pastorie gebruikt. De laatste pastoor, M. Vos, verliet in 1968 het pand. Voormalige Prins van Oranje, dan pastorie en bank (situatie ca 1965) (Omstr 1800 rechts achter de brouwerij) Prins van Oranje – een inventaris bij de herbergen....(Herkomst van de vaten bier op voorraad in 1711) Herbergier Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage