Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage Haagweg 334 bis - 4813XE Breda/Princenhage Op 8 juni 1896 komt de 37 jarige Mr. Arthur Eduard Joseph Baron van Voorst tot Voorst in zijn functie als Commissaris van de Koningin van Noord-Brabant voor het eerst naar Princenhage. Deze Gelderse burgemeesterszoon en telg uit een geslacht van bestuurders en militairen zou Princenhage in de periode van 1894 – 1928 in totaal acht keer als CdK bezoeken. Deze visites werden door hem, soms vrij kort tevoren, per brief aangekondigd. Van de burgemeester werd dan verwacht niet alleen de wethouders en de raadsleden de informeren, maar ook alle ingezetenen, want er was gelegenheid tot audiëntie. De secretaris en de ontvanger konden tevens rekenen op een gedegen boekenonderzoek. Speciaal daarvoor werd de CdK vergezeld door een kundig ambtenaar van zijn kabinet. Arthur Baron van Voorst tot Voorst hield een persoonlijk dagboek bij over wat hij zo allemaal tegenkwam op de Brabantse raadhuizen. In Princenhage stelt de CdK in 1896 vast dat de administratie ter secretarie zelfs in zeer goede orde was, waarbij de inrichting van het bevolkingsregister op basis van huisnummers en wijken bijzondere aandacht trok. De wethouder van Baal noemt hij een krasse verstandige boer en de onbetaalde rekeningen van dokter Batenburg waren niet van inboorlingen van Princenhage maar van werkvolk van een de twee ijzergieterijen dat hier en daar woonde. Hij interesseerde zich voor alle lagen van de bevolking en iedereen was welkom om zijn problemen voor te leggen. Hield niet van poespas en liet zich niet of nauwelijks fêteren. Hij had een goede neus voor partijpolitieke malversaties en om deze aan de kaak te stellen.  De grote industrieën o.a. Betonfabriek Stulemeyer, de Hollandsche Kunstzijde, de Etna, de Jamfabriek en de suikerfabriek van Wittouck, alle lagen ze op Princenhaags grondgebied. De zorg voor de economische ontwikkeling en daarmee verbonden tewerkstelling van de bevolking lag hem dan ook aan het hart. Misschien was dat dan ook wel de reden dat hij zich in zijn dagboek achter de annexatieplannen van Breda stelde. Het toenmalige gemeentebestuur van de stad Breda zat een en ander dwars. Tegenover de Commissaris van de Koningin van Arthur van Voorst tot Voorst die tijdens zijn ambtsperiode Breda (maar ook Princenhage) regelmatig bezocht, werd er flink geklaagd. Breda zou alleen de lasten van de grote bedrijven dragen en Princenhage de lusten, althans dit werd gesuggereerd. Er hadden zich enkele incidenten op de (gemeente) grens voorgedaan waarbij de Bredase brandweer had moeten inspringen. Overigens lagen de petroleum- en benzine depots van de gemeente Breda ook op Princenhaags grondgebied; over lasten gesproken! Burgemeester Vermeulen van Princenhage (1916- 1935) (Rechts) lag regelmatig overhoop met zijn Bredase Collega Van Sonsbeeck (1919-1936) (Links)  B&W van Breda stelden verder dat de Princenhaagse politie de veiligheid van de burgers niet kon garanderen en men was beducht op al het werkvolk van de fabrieken dat zich op betaaldag het bier in het centrum goed liet smaken. Zwart op wit schrijft de burgemeester van Princenhage dan ook terug: Laat u maar eens onderzoeken hoeveel van de door de politie van Breda opgepakte personen uit Princenhage afkomstig zijn. U zult constateren dat niemand van de mensen die woonachtig in het dorp is zich schuldig maakt aan wanordelijk- heden. De CdK zal hoofdschuddend gedacht hebben wat moet ik hier nu mee, want in zijn dagboeken ontwikkelt zich de industrie voorspoedig. Hij noteert dat drankmisbruik meevalt maar dat er teveel geld opgaat aan snoepen!! (personeel bij de suikerverwerkende bedrijven kregen wekelijks gratis snoep e.d.). Helemaal tevreden over Princenhage was hij ook weer niet, dat blijkt uit een bezoek van de CdK in 1921 aan Breda: De woningnood in Breda is verschrikkelijk. Bouwen wordt belet door de omliggende gemeenten (Princenhage, Teteringen en Ginneken). Princenhage heeft bovendien toegelaten dat de weg langs de Mark veel te klein is voor een openbare weg. Het is meer dan erg! In 1927 viel de industriezone met terrein voor woningbouw aan de stad Breda, in 1942 zou de rest volgen. Teksten van de commissaris uit zijn Princenhaags dagboek.